Słownik
Woordenlijst
Lekcja języka Polskiego
Polski 1.1
Lekcja 3. Co słychać
Dialog formalny
Formeel gesprek
Dzień dobry!
[d͡ʑɛɲ ˈdɔ.brɨ]
Goedendag!Jak ma pan na imię?
[jak ma pan na ˈi.mjɛ]
Hoe heet u?Tegen een man.
Jak ma pani na imię?
[jak ma ˈpa.ɲi na ˈi.mjɛ]
Hoe heet u?Tegen een vrouw.
Jak ma pan na nazwisko?
[jak ma pan na naˈzvʲi.skɔ]
Wat is uw achternaam?Tegen een man.
Jak ma pani na nazwisko?
[jak ma ˈpa.ɲi na naˈzvʲi.skɔ]
Wat is uw achternaam?Tegen een vrouw.
Jak się pan nazywa?
[jak ɕɛ pan naˈzɨ.va]
Hoe is uw naam?Tegen een man.
Jak się pani nazywa?
[jak ɕɛ ˈpa.ɲi naˈzɨ.va]
Hoe is uw naam?Tegen een vrouw.
Skąd pan jest?
[skɔnt pan jɛst]
Waar komt u vandaan?Tegen een man.
Skąd pani jest?
[skɔnt ˈpa.ɲi jɛst]
Waar komt u vandaan?Tegen een vrouw.
Gdzie pan mieszka?
[ɡdʑɛ pan ˈmjɛʂ.ka]
Waar woont u?Tegen een man.
Gdzie pani mieszka?
[ɡdʑɛ ˈpa.ɲi ˈmjɛʂ.ka]
Waar woont u?Tegen een vrouw.
Czy mieszka pan w Pekinie?
[t͡ʂɨ ˈmjɛʂ.ka pan f pɛˈki.ɲɛ]
Woont u in Peking?Tegen een man.
A pan?
[a pan]
En u?Mannelijke vorm. Nadat je jezelf hebt voorgesteld, vraag je dit aan de andere persoon.
A pani?
[a ˈpa.ɲi]
En u?Vrouwelijke vorm.
Nazywam się Adam Kowalski.
[naˈzɨ.vam ɕɛ ˈa.dam kɔˈval.ski]
Ik heet Adam Kowalski.Mam na imię Adam.
[mam na ˈi.mjɛ ˈa.dam]
Ik heet Adam.Jestem Adam.
[ˈjɛ.stɛm ˈa.dam]
Ik ben Adam.Jestem z Polski.
[ˈjɛ.stɛm s ˈpɔl.ski]
Ik kom uit Polen.Jestem z Chin.
[ˈjɛ.stɛm s xin]
Ik kom uit China.Jestem z Hiszpanii.
[ˈjɛ.stɛm z xiˈspa.ɲi]
Ik kom uit Spanje.Jestem z Belgii.
[ˈjɛ.stɛm z ˈbɛl.ɡʲi]
Ik kom uit België.Jestem z Francji.
[ˈjɛ.stɛm s ˈfran.t͡s.ji]
Ik kom uit Frankrijk.Jestem z Holandii.
[ˈjɛ.stɛm z xɔˈlan.dʲi]
Ik kom uit Nederland.Mieszkam w Kantonie.
[ˈmjɛʂ.kam f kanˈtɔ.ɲɛ]
Ik woon in Kanton.Mieszkam w Krakowie.
[ˈmjɛʂ.kam f kraˈkɔ.vʲɛ]
Ik woon in Krakau.Miło mi.
[ˈmi.wɔ mi]
Aangenaam.Bardzo mi miło.
[ˈbar.d͡zɔ mi ˈmi.wɔ]
Zeer aangenaam.Mnie również.
[mɲɛ ˈruv.ɲɛʂ]
Mij ook.
Samopoczucie
Hoe gaat het
Co słychać?
[t͡sɔ ˈswɨ.xat͡ɕ]
Hoe gaat het?Informeel.
Co u ciebie słychać?
[t͡sɔ u ˈtɕɛ.bjɛ ˈswɨ.xat͡ɕ]
Hoe gaat het met jou?Informeel. Vaak korter: Co u ciebie?
Co nowego?
[t͡sɔ nɔˈvɛ.ɡɔ]
Wat is er nieuw?Jak leci?
[jak ˈlɛ.t͡ɕi]
Hoe gaat het?Informeel.
Jak tam?
[jak tam]
Hoe is het?Informeel.
Co tam?
[t͡sɔ tam]
Wat is er?Informeel.
Jak się masz?
[jak ɕɛ maʂ]
Hoe gaat het met je?Informeel.
Co u pana słychać?
[t͡sɔ u ˈpa.na ˈswɨ.xat͡ɕ]
Hoe maakt u het?Formeel, tegen een man.
Co u pani słychać?
[t͡sɔ u ˈpa.ɲi ˈswɨ.xat͡ɕ]
Hoe maakt u het?Formeel, tegen een vrouw.
A u ciebie?
[a u ˈtɕɛ.bjɛ]
En met jou?A u pana?
[a u ˈpa.na]
En met u?Formeel, tegen een man.
A u pani?
[a u ˈpa.ɲi]
En met u?Formeel, tegen een vrouw.
Dzięki.
[ˈd͡ʑɛŋ.kʲi]
Bedankt.Informeel.
Wszystko świetnie.
[ˈfʂɨst.kɔ ˈɕfʲɛt.ɲɛ]
Alles prima.Wszystko bardzo dobrze.
[ˈfʂɨst.kɔ ˈbar.d͡zɔ ˈdɔ.bʐɛ]
Alles heel goed.Wszystko dobrze.
[ˈfʂɨst.kɔ ˈdɔ.bʐɛ]
Alles goed.Wszystko w porządku.
[ˈfʂɨst.kɔ f pɔˈʐɔnt.ku]
Alles in orde.Wszystko po staremu.
[ˈfʂɨst.kɔ pɔ staˈrɛ.mu]
Alles bij het oude.Nic nowego.
[ɲit͡s nɔˈvɛ.ɡɔ]
Niets nieuws.Tak sobie.
[tak ˈsɔ.bʲɛ]
Zo zo.Jako tako.
[ˈja.kɔ ˈta.kɔ]
Min of meer.Średnio.
[ˈɕrɛd.ɲɔ]
Middelmatig.Źle.
[ʑlɛ]
Slecht.Bardzo źle.
[ˈbar.d͡zɔ ʑlɛ]
Heel slecht.Fatalnie.
[faˈtal.ɲɛ]
Verschrikkelijk.
Zaimki
Voornaamwoorden
ja
[ja]
ikty
[tɨ]
jijon
[ɔn]
hijona
[ˈɔ.na]
zijono
[ˈɔ.nɔ]
hetVoor een kind: ono.
my
[mɨ]
wijwy
[vɨ]
jullieoni
[ˈɔ.ɲi]
zijon + on, on + ona, on + ono. Mannen of een gemengde groep.
one
[ˈɔ.nɛ]
zijona + ona, ona + ono, ono + ono. Alleen vrouwen of kinderen.
Ludzie
Mensen
dziecko
[ˈd͡ʑɛt͡s.kɔ]
kindAdaś is een kind. Voornaamwoord: ono.
Gdzie jesteś
Waar ben je
być na wakacjach
[bɨt͡ɕ na vaˈkat͡s.jax]
op vakantie zijnbyć na urlopie
[bɨt͡ɕ na urˈlɔ.pʲɛ]
met verlof zijnbyć na uniwersytecie
[bɨt͡ɕ na u.ɲi.vɛr.sɨˈtɛ.tɕɛ]
op de universiteit zijnNa het voorzetsel na volgt de locatief.
być w biurze
[bɨt͡ɕ v ˈbʲu.ʐɛ]
op kantoor zijnbyć w domu
[bɨt͡ɕ v ˈdɔ.mu]
thuis zijnbyć w firmie
[bɨt͡ɕ v ˈfir.mʲɛ]
bij de firma zijnbyć w kinie
[bɨt͡ɕ f ˈki.ɲɛ]
in de bioscoop zijnbyć w klubie
[bɨt͡ɕ f ˈklu.bʲɛ]
in een club zijnbyć w parku
[bɨt͡ɕ f ˈpar.ku]
in het park zijnbyć w parlamencie
[bɨt͡ɕ f par.laˈmɛn.tɕɛ]
in het parlement zijnbyć w pracy
[bɨt͡ɕ f ˈpra.t͡sɨ]
op het werk zijnbyć w pubie
[bɨt͡ɕ f ˈpu.bʲɛ]
in een pub zijnbyć w barze
[bɨt͡ɕ v ˈba.ʐɛ]
in een bar zijnbyć w restauracji
[bɨt͡ɕ v rɛ.stawˈrat͡s.ji]
in het restaurant zijnbyć w sklepie
[bɨt͡ɕ f ˈsklɛ.pʲɛ]
in de winkel zijnbyć w szkole
[bɨt͡ɕ f ˈʂkɔ.lɛ]
op school zijnbyć w szpitalu
[bɨt͡ɕ f ʂpiˈta.lu]
in het ziekenhuis zijn
Już i jeszcze
Al en nog
Jesteś już w domu?
[ˈjɛ.stɛɕ juʂ v ˈdɔ.mu]
Ben je al thuis?już staat tegenover jeszcze.
Jestem jeszcze w pracy.
[ˈjɛ.stɛm ˈjɛʂ.t͡ʂɛ f ˈpra.t͡sɨ]
Ik ben nog op het werk.jeszcze staat tegenover już.
jeszcze raz
[ˈjɛʂ.t͡ʂɛ ras]
nog een keerjeszcze nie
[ˈjɛʂ.t͡ʂɛ ɲɛ]
nog niet
Być
Zijn
być
[bɨt͡ɕ]
zijnInfinitief. Vormen: jestem, jesteś, jest, jesteśmy, jesteście, są.
(ja) jestem
[ˈjɛ.stɛm]
ik ben(ty) jesteś
[ˈjɛ.stɛɕ]
jij bent(on / ona / ono) jest
[jɛst]
hij, zij of het isOok voor pan en pani.
(my) jesteśmy
[jɛˈstɛɕ.mɨ]
wij zijn(wy) jesteście
[jɛˈstɛɕ.tɕɛ]
jullie zijn(oni / one) są
[sɔ̃]
zij zijnOok voor państwo, panie en panowie.
Mieć
Hebben
mieć
[mʲɛt͡ɕ]
hebbenInfinitief. Vormen: mam, masz, ma, mamy, macie, mają.
(ja) mam
[mam]
ik heb(ty) masz
[maʂ]
jij hebt(on / ona / ono) ma
[ma]
hij, zij of het heeftOok voor pan en pani.
(my) mamy
[ˈma.mɨ]
wij hebben(wy) macie
[ˈma.t͡ɕɛ]
jullie hebben(oni / one) mają
[ˈma.jɔ̃]
zij hebbenOok voor państwo, panie en panowie.
Formy grzecznościowe
Aanspreekvormen
pan
[pan]
heerHij in de formele vorm. pan + pan = panowie.
pani
[ˈpa.ɲi]
dameZij in de formele vorm. pani + pani = panie.
panowie
[paˈnɔ.vʲɛ]
herenpan + pan.
panie
[ˈpa.ɲɛ]
damespani + pani.
państwo
[ˈpaɲ.stfɔ]
heren en damesGemengde groep. pan + pani, of panowie + panie.
Plany i stan
Plannen en toestand
mieć grypę
[mʲɛt͡ɕ ˈɡrɨ.pɛ]
griep hebbenmieć wolne
[mʲɛt͡ɕ ˈvɔl.nɛ]
vrijaf hebbenmieć plany na weekend
[mʲɛt͡ɕ ˈpla.nɨ na ˈvik.ɛnt]
plannen hebben voor het weekendmieć spotkanie
[mʲɛt͡ɕ spɔtˈka.ɲɛ]
een afspraak hebbenmieć zebranie
[mʲɛt͡ɕ zɛˈbra.ɲɛ]
een vergadering hebbenmieć lekcję polskiego
[mʲɛt͡ɕ ˈlɛk.t͡s.jɛ pɔlˈskʲɛ.ɡɔ]
Poolse les hebbenmieć test
[mʲɛt͡ɕ tɛst]
een toets hebbenmieć egzamin
[mʲɛt͡ɕ ɛɡˈza.min]
een examen hebbenmieć czas
[mʲɛt͡ɕ t͡ʂas]
tijd hebbenTegenover: nie mieć czasu.
nie mieć czasu
[ɲɛ mʲɛt͡ɕ ˈt͡ʂa.su]
geen tijd hebbenTegenover: mieć czas.
mieć dobry humor
[mʲɛt͡ɕ ˈdɔ.brɨ ˈxu.mɔr]
een goed humeur hebbenTegenover: mieć zły humor.
mieć zły humor
[mʲɛt͡ɕ zwɨ ˈxu.mɔr]
een slecht humeur hebbenTegenover: mieć dobry humor.
mieć dużo pracy
[mʲɛt͡ɕ ˈdu.ʐɔ ˈpra.t͡sɨ]
veel werk hebbenTegenover: mieć mało pracy.
mieć mało pracy
[mʲɛt͡ɕ ˈma.wɔ ˈpra.t͡sɨ]
weinig werk hebbenTegenover: mieć dużo pracy.
mieć rację
[mʲɛt͡ɕ ˈrat͡s.jɛ]
gelijk hebbenTegenover: nie mieć racji.
nie mieć racji
[ɲɛ mʲɛt͡ɕ ˈrat͡s.ji]
geen gelijk hebbenTegenover: mieć rację.
mieć urodziny
[mʲɛt͡ɕ u.rɔˈd͡ʑi.nɨ]
jarig zijnmieć wolny dzień
[mʲɛt͡ɕ ˈvɔl.nɨ d͡ʑɛɲ]
een vrije dag hebbenHetzelfde als mieć wolne.
mieć wolny weekend
[mʲɛt͡ɕ ˈvɔl.nɨ ˈvik.ɛnt]
een vrij weekend hebbenHetzelfde als mieć wolne w weekend.
Pory dnia
Dagindeling
rano
[ˈra.nɔ]
in de ochtendprzed południem
[pʂɛt pɔˈwu.dɲɛm]
in de voormiddagw południe
[f pɔˈwu.dɲɛ]
in de middagpo południu
[pɔ pɔˈwu.dɲu]
in de namiddagwieczorem
[vʲɛˈt͡ʂɔ.rɛm]
in de avondw nocy
[v ˈnɔ.t͡sɨ]
in de nachtw weekend
[v ˈvik.ɛnt]
in het weekendVoorzetselgroep bij weekend.
Wskazywanie
Aanwijzen
to
[tɔ]
dit of datAanwijzend woord.
tu
[tu]
hierHetzelfde als tutaj.
tutaj
[ˈtu.taj]
hierHetzelfde als tu.
tam
[tam]
daarna górze
[na ˈɡu.ʐɛ]
bovenna dole
[na ˈdɔ.lɛ]
benedenprosto
[ˈprɔ.stɔ]
rechtdoorna lewo
[na ˈlɛ.vɔ]
linksna prawo
[na ˈpra.vɔ]
rechtsPrzepraszam, gdzie jest toaleta?
[pʂɛˈpra.ʂam ɡd͡ʑɛ jɛst tɔ.aˈlɛ.ta]
Pardon, waar is het toilet?
Dialog formalny
Formeel gesprek
| Dzień dobry! | Goedendag! |
| Jak ma pan na imię? | Hoe heet u?Tegen een man. |
| Jak ma pani na imię? | Hoe heet u?Tegen een vrouw. |
| Jak ma pan na nazwisko? | Wat is uw achternaam?Tegen een man. |
| Jak ma pani na nazwisko? | Wat is uw achternaam?Tegen een vrouw. |
| Jak się pan nazywa? | Hoe is uw naam?Tegen een man. |
| Jak się pani nazywa? | Hoe is uw naam?Tegen een vrouw. |
| Skąd pan jest? | Waar komt u vandaan?Tegen een man. |
| Skąd pani jest? | Waar komt u vandaan?Tegen een vrouw. |
| Gdzie pan mieszka? | Waar woont u?Tegen een man. |
| Gdzie pani mieszka? | Waar woont u?Tegen een vrouw. |
| Czy mieszka pan w Pekinie? | Woont u in Peking?Tegen een man. |
| A pan? | En u?Mannelijke vorm. Nadat je jezelf hebt voorgesteld, vraag je dit aan de andere persoon. |
| A pani? | En u?Vrouwelijke vorm. |
| Nazywam się Adam Kowalski. | Ik heet Adam Kowalski. |
| Mam na imię Adam. | Ik heet Adam. |
| Jestem Adam. | Ik ben Adam. |
| Jestem z Polski. | Ik kom uit Polen. |
| Jestem z Chin. | Ik kom uit China. |
| Jestem z Hiszpanii. | Ik kom uit Spanje. |
| Jestem z Belgii. | Ik kom uit België. |
| Jestem z Francji. | Ik kom uit Frankrijk. |
| Jestem z Holandii. | Ik kom uit Nederland. |
| Mieszkam w Kantonie. | Ik woon in Kanton. |
| Mieszkam w Krakowie. | Ik woon in Krakau. |
| Miło mi. | Aangenaam. |
| Bardzo mi miło. | Zeer aangenaam. |
| Mnie również. | Mij ook. |
Samopoczucie
Hoe gaat het
| Co słychać? | Hoe gaat het?Informeel. |
| Co u ciebie słychać? | Hoe gaat het met jou?Informeel. Vaak korter: Co u ciebie? |
| Co nowego? | Wat is er nieuw? |
| Jak leci? | Hoe gaat het?Informeel. |
| Jak tam? | Hoe is het?Informeel. |
| Co tam? | Wat is er?Informeel. |
| Jak się masz? | Hoe gaat het met je?Informeel. |
| Co u pana słychać? | Hoe maakt u het?Formeel, tegen een man. |
| Co u pani słychać? | Hoe maakt u het?Formeel, tegen een vrouw. |
| A u ciebie? | En met jou? |
| A u pana? | En met u?Formeel, tegen een man. |
| A u pani? | En met u?Formeel, tegen een vrouw. |
| Dzięki. | Bedankt.Informeel. |
| Wszystko świetnie. | Alles prima. |
| Wszystko bardzo dobrze. | Alles heel goed. |
| Wszystko dobrze. | Alles goed. |
| Wszystko w porządku. | Alles in orde. |
| Wszystko po staremu. | Alles bij het oude. |
| Nic nowego. | Niets nieuws. |
| Tak sobie. | Zo zo. |
| Jako tako. | Min of meer. |
| Średnio. | Middelmatig. |
| Źle. | Slecht. |
| Bardzo źle. | Heel slecht. |
| Fatalnie. | Verschrikkelijk. |
Zaimki
Voornaamwoorden
| ja | ik |
| ty | jij |
| on | hij |
| ona | zij |
| ono | hetVoor een kind: ono. |
| my | wij |
| wy | jullie |
| oni | zijon + on, on + ona, on + ono. Mannen of een gemengde groep. |
| one | zijona + ona, ona + ono, ono + ono. Alleen vrouwen of kinderen. |
Ludzie
Mensen
| dziecko | kindAdaś is een kind. Voornaamwoord: ono. |
Gdzie jesteś
Waar ben je
| być na wakacjach | op vakantie zijn |
| być na urlopie | met verlof zijn |
| być na uniwersytecie | op de universiteit zijnNa het voorzetsel na volgt de locatief. |
| być w biurze | op kantoor zijn |
| być w domu | thuis zijn |
| być w firmie | bij de firma zijn |
| być w kinie | in de bioscoop zijn |
| być w klubie | in een club zijn |
| być w parku | in het park zijn |
| być w parlamencie | in het parlement zijn |
| być w pracy | op het werk zijn |
| być w pubie | in een pub zijn |
| być w barze | in een bar zijn |
| być w restauracji | in het restaurant zijn |
| być w sklepie | in de winkel zijn |
| być w szkole | op school zijn |
| być w szpitalu | in het ziekenhuis zijn |
Już i jeszcze
Al en nog
| Jesteś już w domu? | Ben je al thuis?już staat tegenover jeszcze. |
| Jestem jeszcze w pracy. | Ik ben nog op het werk.jeszcze staat tegenover już. |
| jeszcze raz | nog een keer |
| jeszcze nie | nog niet |
Być
Zijn
| być | zijnInfinitief. Vormen: jestem, jesteś, jest, jesteśmy, jesteście, są. |
| (ja) jestem | ik ben |
| (ty) jesteś | jij bent |
| (on / ona / ono) jest | hij, zij of het isOok voor pan en pani. |
| (my) jesteśmy | wij zijn |
| (wy) jesteście | jullie zijn |
| (oni / one) są | zij zijnOok voor państwo, panie en panowie. |
Mieć
Hebben
| mieć | hebbenInfinitief. Vormen: mam, masz, ma, mamy, macie, mają. |
| (ja) mam | ik heb |
| (ty) masz | jij hebt |
| (on / ona / ono) ma | hij, zij of het heeftOok voor pan en pani. |
| (my) mamy | wij hebben |
| (wy) macie | jullie hebben |
| (oni / one) mają | zij hebbenOok voor państwo, panie en panowie. |
Formy grzecznościowe
Aanspreekvormen
| pan | heerHij in de formele vorm. pan + pan = panowie. |
| pani | dameZij in de formele vorm. pani + pani = panie. |
| panowie | herenpan + pan. |
| panie | damespani + pani. |
| państwo | heren en damesGemengde groep. pan + pani, of panowie + panie. |
Plany i stan
Plannen en toestand
| mieć grypę | griep hebben |
| mieć wolne | vrijaf hebben |
| mieć plany na weekend | plannen hebben voor het weekend |
| mieć spotkanie | een afspraak hebben |
| mieć zebranie | een vergadering hebben |
| mieć lekcję polskiego | Poolse les hebben |
| mieć test | een toets hebben |
| mieć egzamin | een examen hebben |
| mieć czas | tijd hebbenTegenover: nie mieć czasu. |
| nie mieć czasu | geen tijd hebbenTegenover: mieć czas. |
| mieć dobry humor | een goed humeur hebbenTegenover: mieć zły humor. |
| mieć zły humor | een slecht humeur hebbenTegenover: mieć dobry humor. |
| mieć dużo pracy | veel werk hebbenTegenover: mieć mało pracy. |
| mieć mało pracy | weinig werk hebbenTegenover: mieć dużo pracy. |
| mieć rację | gelijk hebbenTegenover: nie mieć racji. |
| nie mieć racji | geen gelijk hebbenTegenover: mieć rację. |
| mieć urodziny | jarig zijn |
| mieć wolny dzień | een vrije dag hebbenHetzelfde als mieć wolne. |
| mieć wolny weekend | een vrij weekend hebbenHetzelfde als mieć wolne w weekend. |
Pory dnia
Dagindeling
| rano | in de ochtend |
| przed południem | in de voormiddag |
| w południe | in de middag |
| po południu | in de namiddag |
| wieczorem | in de avond |
| w nocy | in de nacht |
| w weekend | in het weekendVoorzetselgroep bij weekend. |
Wskazywanie
Aanwijzen
| to | dit of datAanwijzend woord. |
| tu | hierHetzelfde als tutaj. |
| tutaj | hierHetzelfde als tu. |
| tam | daar |
| na górze | boven |
| na dole | beneden |
| prosto | rechtdoor |
| na lewo | links |
| na prawo | rechts |
| Przepraszam, gdzie jest toaleta? | Pardon, waar is het toilet? |